Ik wil niet zielig gevonden worden
Toen ik weduwe werd, was ik 32.
Dat verwacht niemand.
Als mensen mij ontmoeten en ik vertel dat mijn man is overleden, zie ik het gebeuren:
Die blik.
Die hoofdschuin-en-oogjes-vol-medelijden-blik.
En iets in mij wil dan direct de boel verzachten.
Dus ik lach het weg.
Ik zeg snel: “Geeft niet hoor, het is oké.”
En voordat iemand écht iets kan zeggen, praat ik alweer door.
Niet omdat het oké is.
Maar omdat ík niet degene wil zijn die het gesprek zwaar maakt.
Omdat ik de ander wil beschermen tegen het ongemak.
Maar weet je wat juist pijnlijk is?
Door dat steeds te doen, gaf ik mijn eigen verlies eigenlijk niet de ruimte die het verdient.
Als mensen je zielig vinden, ontstaat er afstand.
Ze gaan zachter praten, vermijden onderwerpen of trekken zich terug.
En jij blijft achter.
Met de leegte, en het gevoel dat je verhaal er niet mocht zijn.
En ik snap het.
We hebben niet geleerd hoe we met verlies moeten omgaan, zeker niet als het zo rauw en ongelofelijk is.
Dus vluchten we in het ongemak.
Of in clichés.
Maar tegenwoordig doe ik het anders.
Als ik vertel dat Harm is overleden, blijf ik even stil.
Ik laat het ongemak van beide er even zijn.
Niet omdat ik dat wil oprekken,
maar omdat het mag.
Omdat het écht is.
En weet je wat er dan vaak gebeurt?
Doordat ik niet meer meteen over mijn verdriet heen wals, hoeft de ander ook niet te raden hoe te reageren.
Er komt ruimte.
Eventjes maar.
En precies genoeg om écht contact te maken.
En daarna kunnen we gewoon weer verder praten.
Over werk, kinderen of zoals wij Nederlands goed kunne: het weer.
Maar dat ene moment is gezien.
Wat ik daarvan leerde?
Dat ik door de ander te willen ontzien, ons allebei tekortdeed.
En dat het oké is om even stil te vallen.
Om het even te laten landen.
Om mijn eigen verhaal niet kleiner te maken dan het is.
Want ik wíl niet zielig gevonden worden.
Ik wil gezien worden.
Als mens.
Met verlies, ja.
Maar ook met levenskracht, liefde, dromen, humor en hoop.